Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Terug

Luchtkasteel

We denken vaak dat de vroege prenten van M.C. Escher vooral met specifieke Italiaanse plaatsen zijn te verbinden. Maar dat is niet altijd het geval. In de periode 1925 – 1928 zie je hem zijn vak ontdekken, hij speurt en kijkt naar allerlei mogelijkheden. Hij behandelt verschillende onderwerpen en onderzoekt de mogelijkheden om die weer te geven. Hij probeert kennelijk niet alleen zijn technische kennis uit en verfijnt die, maar hij bekijkt bijvoorbeeld ook (zo kun je naderhand stellen) of hij een specifieke techniek met een speciaal onderwerp kan verbinden.

Als hij de technische grens van een houtsnede, en later litho, opzoekt, stelt hij zich in feite de vraag: wat kan ik op en met zo’n plank hout bereiken? Bovendien doet hij ervaring op met welke guts en of burijn hij dat het voor een doel kan werken en welk hout (langs of kops) hij voor welk facet van een prent moet gebruiken. Zijn docent, Samuel Jessurun de Mesquita, leerde Escher en zijn klasgenoten met het langshout werken. Dat betekent dat de plank van de boom, vaak een perenboom, in de lengte uit de stam wordt gehaald. Bij het kopshout is de plank een dwarsdoorsnee van de stam, die is dus loodrecht op de nerf gezaagd. Die is dus altijd veel kleiner dan een langse plank. Doordat de kopse plank een dwarsdoorsnee is, is de structuur anders, het hout is harder en daardoor moeilijker te bewerken dan het langshout. Het voordeel van het hardere kopshout is dat Escher veel meer details kan uitsteken. Hij zal later ook wel een combinatie van beide gebruiken. Voor grotere vlakken, of als hij met kleur werkt, neemt hij langshout; voor heel fijne details gebruikt hij juist kopshout. Luchtkasteel is een grote prent van 62,4 cm centimeter hoog bij 38,8 cm breed. Die heeft hij dus duidelijk uit een plank langshout gesneden.


In het Escher archief van het Gemeentemuseum Den Haag ligt een klein voorleesboekje uit 1898, Eschers geboortejaar. Op de omslag staat: “Om aan de kleintjes voor te lezen, verzameld en bewerkt door A.C. Kuiper”. Het is een boek met sprookjes en vertellingen en geïllustreerd, wellicht ook door Kuiper?

George, Eschers oudste zoon, schrijft aan degene die zorg droeg voor de overdracht van het Escher archief aan het Gemeentemuseum, dat hij en zijn twee broers veel door hun vader uit dit boek werden voorgelezen. Hij heeft sterke herinneringen aan de: “koortsige nachten, liggende in mijn kinderbedje, terwijl vader, voorlezende bij het licht van een half toegedekte lamp, mij in slaap probeerde te krijgen.”

Deze boodschap werd voorin het boekje geplakt. Gezien de publicatiedatum van het kinderboek zou je kunnen veronderstellen dat Escher niet alleen zijn kinderen hier vele uren uit voorlas, maar dat hij waarschijnlijk zelf hier ook uit is voorgelezen. George noemt speciaal het verhaal de Verloren Prinses waarvan het slot, zo schrijft George, “de inspiratie’ voor deze prent leverde. Als M.C. Luchtkasteel maakt is George anderhalf en zijn moeder zal in december van 1928 van de tweede zoon Arthur bevallen. Jan de derde zoon wordt in 1936 geboren.

Op deze bladzijden wordt uitvoerig beschreven hoe de Prins samen met een slim hondje zijn zuster de Prinses terugvindt in een grote zee waar een kasteel op een rots staat. Er dreigt nog steeds van alles mis te gaan, maar de Prins en hondje worden op het nippertje door een waterschildpad uit hun benarde situatie gered, terwijl het kasteel gestaag in een grote witte wolk verdwijnt en steeds verder afdrijft.

Nu kan ik nog wel op de details van sprookje en prent ingaan, maar het is, denk ik, belangrijker een paar andere opmerkelijke zaken te bespreken. Er zijn, ook al in het Escherarchief, vakantiefoto’s van de familie Escher uit 1913 (vijftien jaar eerder). M.C. is dan 15 jaar. De familie reist per trein en met auto’s naar de westkust van Frankrijk. Ze bezoeken onder andere naar de Mont Saint-Michel, het eiland voor de Normandische kust met de grote gotische kerk. In die tijd lag het eiland nog los van het vaste land. Je moest er naar toe roeien. Tijdens de overtocht heeft iemand (Maurits?) een foto gemaakt vanuit de roeiboot.

Toen ik deze foto ontdekte, viel meteen de overeenkomst met Luchtkasteel op. Zoals wel vaker verwerkt Escher vroege indrukken later in zijn werk. Het langzame schommelende naderen van die bebouwde rots die tijdens het tochtje steeds groter wordt, heeft ongetwijfeld indruk op de jongen gemaakt.

Ik denk dat dit bij deze prent het boek eerder een directe aanleiding was, zoals George Escher schrijft. Maar ergens is in het brein van Escher de roeitocht uit 1913, die toch wel een half uurtje zal hebben geduurd, verbonden met het verhaal van de prins. Als hij dan in januari 1928 het Luchtkasteel maakt, vinden beide gebeurtenissen een natuurlijke verbinding in deze prent.

Terug naar januari 1928, Escher maakt binnen een jaar nog twee houtsneden waarin het perspectief een belangrijke rol speelt. Een maand later snijdt hij Toren van Babel en in oktober 1928 maakt hij Bonifacio. Chronologisch ziet de reeks er zo uit:

M.C. Escher, Luchtkasteel, houtsnede, januari 1928
M.C. Escher, Toren van Babel, houtsnede, februari 1928

Je ziet in feite in één oogopslag waar Escher mee bezig is: in Luchtkasteel is het een kikkerperspectief, in Toren van Babel is het een vogelperspectief en in Bonifacio onderzoekt hij de combinatie een gewoon perspectief met een sterk naar beneden gericht perspectief.

Het is opvallend dat Escher, die schijnbaar altijd de realiteit als uitgangspunt neemt, in deze prenten literaire bronnen gebruikte: bij Luchtkasteel het sprookjesboek en in Toren van Babel de Bijbel. Het kikkerperspectief, van beneden naar boven, paste hij al toe in de prent San Gimignano uit 1923. Toren van Babel is een klassiek, bijbels, onderwerp dat al in de middeleeuwen werd gebruikt. De schilderijen van de heren Bruegel van de Toren van Babel zijn wereldberoemd.

Bijna twintig jaar later, in januari 1947, begint Escher met Andere Wereld. In juli 1947 maakt hij Boven en Onder. In 1951 volgen Trappenhuis en in 1953 Relativiteit, een variant op het trappenhuis.

M.C. Escher, Andere wereld, houtsnede en houtgravure in zwart, roodbruin en groen, gedrukt van drie blokken, januari 1947
M.C. Escher, Boven en Onder, litho, juli 1947

M.C. Escher, Trappenhuis, litho, november 1951
M.C. Escher, Relativiteit, houtsnede, juli 1953

In deze prenten wordt een ingewikkeld spel met verschillende perspectieven gespeeld. Escher combineert het centrale perspectief, een vluchtpunt op de horizon waar alle lijnen naar toe lopen dat vaak min of meer op oog-hoogte wordt gezet, met een extreem zenith, een zelfde vluchtpunt dat hoog in de prent staat en een nadir, een zelfde vluchtpunt dat diep naar beneden staat. (Zou men die twee verbinden zonder het centraalperspectief te gebruiken, dan ontstaat een ellips.)

In M.C. Escher grafiek en tekeningen zegt Escher hier zelf over:

“ … sinds de fotografie zijn we pas echt vertrouwd met het verticale perspectief. Richten wij onze lens naar boven of beneden op een gebouw, dan zien wij dat het louter gemakzucht is van bouwkundige tekenaars om in hun perspectivische projecties alles wat verticaal staat aan te geven met evenwijdige rechtstandige lijnen. In de bovenstaande prenten heeft één verdwijnpunt meerdere functies tegelijk. Soms ligt het op de horizon, in het nadir en in het zenith gelijktijdig.”

Uit zo’n speelse gedachte maakt Escher ingewikkelde prenten waarvan je, als je ze goed en op ware grote bekijkt, je duizelig in het hoofd wordt. Je verandert durend van standpunt afhankelijk van je focus op een deel van de prent.

Eschers theoretische speelsheid valt nog meer op als we zien dat Boven en Onder perfect aaneen sluit op het moment dat je meerdere exemplaren aan elkaar zou monteren. Het perpetuum mobilé dat Escher ook al in andere werken onderzoekt, zet het steeds wisselende perspectief van deze prent behoorlijk onder druk!

In de ontwikkeling van Eschers oeuvre zijn verschillende lijnen, thema’s, te ontdekken. Soms zie je hoe hij door voortschrijdend inzicht nieuwe mogelijkheden vindt. Hij combineert oude thema’s met een nieuwe vraagstelling waardoor, wellicht niet altijd direct, onderliggende verbanden tussen het vroege en het latere werk duidelijk worden.

Het lijkt alsof Escher steeds prent na prent maakt zonder onderliggende verbanden. De drie houtsneden uit 1928 en de drie prenten die hij rondom 1950 maakte, kwamen ook niet direct na elkaar. Er zitten andere prenten tussen. We kunnen doordat hij thema’s/probleemstellingen herneemt in zijn hele werk, verschillende reeksen met een innerlijke logica ontdekken. Die series zitten door Eschers speelse manier van denken verstopt in zijn ontwikkeling waardoor het vaak onverwachte wendingen lijken.

 

Alle citaten komen uit de heruitgave uit 2006 door Taschen GMBH van “M.C.Escher Grafiek en Tekeningen, ingeleid en toegelicht door de graficus”, indertijd uitgegeven door Koninklijke uitgeverij J.J.Tijl NV Zwolle; 1959.

Meer verhalen over Escher