Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Terug

Zelfportretten 1917 – 1950

Deze maand is het elf jaar dat ik bij Escher in Het Paleis conservator ben. Langzaam maar zeker raakte ik in deze tijd verknocht aan het werk. Ik ontdekte een onderlinge samenhang en kwam, doordat steeds meer mensen hun kennis met me deelden, op nieuwe feiten en soms zelfs onbekend werk. De blauwe versie van de prent Dag en Nacht, die we dankzij de vrijwilligers van onze winkel konden kopen, is daar een voorbeeld van. Escher drukte de bekende prent in 1938 in het blauw af voor zijn oudste (half)broer Berend als dank voor de informatie die hij van hem had gekregen.

Waar herken je een kunstenaar, behalve in zijn werk, nu het beste aan? Dat zijn misschien toch wel de zelfportretten. Escher heeft er twaalf tussen 1917 en 1950 gemaakt. Het zijn niet allemaal echte zelfportretten, in sommige zie je een man en dat moet Escher zijn, maar eigenlijk doet hij of dat niet zo is, omdat het onderwerp een spiegeling is, weten we echter dat dit wel zo moet zijn en zegt zo’n afbeelding toch iets over hem. Maar hij maakt ook echte zelfportretten.

Een van de mooiste is wel de vroege linosnede uit 1918.

Het is prachtig om te zien hoe deze jonge man van twintig al in staat is met minimale middelen zo’n mooi zelfportret te maken. Dit is een linoleumsnede, die drukt minder hard, minder scherp af dan een houtsnede. In feite bestaat dit portret uit vlakken licht en donker blauw. Slechts de oorschelp, de neusvleugels en bovenop het haar zijn wat lijnen aangebracht. Het is qua opbouw van het onderwerp (zijn eigen hoofd) al weer losser dan het zelfportret dat hij een jaar eerder maakte en het is heel anders dan Eschers officiële eerste zelfportret uit 1917. Alle drie deze vroege prenten zijn linoleumsneden, een materiaal waarin je makkelijker snijdt dan in hout.
In het eerste zelfportret zien we een gefronste jongeman. Escher kijkt geconcentreerd, met fronsende wenkbrauwen.

M.C. Escher, Zelfportret, linoleumsnede, 1917
M.C. Escher, Zelfportret, linoleumsnede, 1918

Eerst even twee opmerkelijke feiten van het eerste zelfportret. Er zit op de hoogte van het oor een groot rond gat, dat is er na Eschers dood ingemaakt. Deze prent is dan ook een postume druk. Alle houtblokken van Escher zijn na zijn dood beschadigd met zo’n gat. Daardoor wordt het zeker voor de prentbezitters dat hun prenten door de meester zelf zijn gedrukt, of in het geval van de litho’s Escher bij het drukken aanwezig was. Maar er is nog een opmerkelijk feit:

Waarschijnlijk maakt Escher hier aan de linkerkant van de prent de klassieke beginnersfout: de laatste letter van zijn monogram MCE staat in spiegelbeeld! Dit zal mede een reden zijn waardoor hij de prent niet afdrukte. Hij corrigeerde zichzelf door het monogram goed aan de rechterkant van de prent te zetten. Wie de eerste drie portretten chronologisch naast elkaar zet, ziet meteen het grote verschil: de enorme stap die Escher in 1918 maakt. Hij is weg uit het ouderlijk huis in Oosterbeek, hij haalde weliswaar zijn eindexamen HBS niet, maar mag toch door bemiddeling van zijn vader en een speciale regeling naar een voorbereidend jaar van de Technische Hogeschool Delft. Daar krijgt Escher onder meer een ernstige huidinfectie en kan de colleges niet meer volgen. Hij tekent eigenlijk alleen nog en dat dit vruchten afwerpt is in het derde portret te zien. De ruimte, het volume van het hoofd zit beter in elkaar en Escher zet de kleur verrassend goed in voor een nog ongeoefende amateur.

Waarschijnlijk maakt hij het volgende zelfportret uit 1919 tijdens zijn opleiding aan de Haarlemse School der Maatschappij voor Bouwkunst en Kunstnijverheid. De jongeman verandert zichzelf in een serieuze ziener. Er bestaat ook een vroeg Mondriaan zelfportret waarin die een zelfde nadruk op zijn ogen legt.

Dat is niet verwonderlijk: juist jonge mensen die de wereld, zichzelf en de kunst ontdekken, zijn zich bewust van het belang van hun ogen. Hier zien we een vastberaden persoon die de wereld en ons met een grote intensiteit aankijkt. Het is mooi hoe de kop uit de achtergrond als het ware ontstijgt, komt boven drijven. Doordat Escher die achtergrond met horizontale grove streken uitsteekt, contrasteert de kop waarin hij wel met fijne gutsjes of waarschijnlijk burijnen, of misschien zelfs met kleine houtsnijmesjes werkt. Nog even een technische herinnering: een houtsnede is een hoog druk techniek, dat wil zeggen dat al het hout dat je laat staan inkt pakt, dus kleur krijgt. Bij Escher is dit vooral zwart, maar soms ook een andere kleur. Dus wat wit is (de kleur van het papier) is weggesneden. In dit geval zien we verschillende soorten wit: het onrustige horizontale wit in de achtergrond; het mooie vlak van het voorhoofd en de jukbeenderen; maar er zit in Eschers haar ook een witte schittering naast de scheiding en glans in de kuif! Het wit in zijn wenkbrauwen is weer anders dan het wit van de ogen!

Het volgende zelfportret, nr. 5, is bewegend en onverwacht in deze reeks. Escher heeft kennelijk de spiegel schuin op de grond gelegd waardoor hij zichzelf vanuit een kikkerperspectief bekijkt: zijn glimmende schoenen krijgen bijna net zoveel aandacht als zijn ironische glimlach. Als er al ooit sprake kan zijn van een soort bohemien gevoel, dan in dit nog steeds vrij jonge zelfportret.

De zigzag van de benen loopt door naar de voor ons rechter elleboog via de schouder en via de ogen kijken we weer de andere kant op en schiet onze blik de linker bovenhoek in. Dan keer je terug naar de oplichtende ogen en zie je de prominent aanwezige kunst achter Eschers hoofd. Dit is een statement: ik ben een kunstenaar, dit is mijn omgeving, ik beheers mijn materie en ik heb een eigen (onorthodoxe) visie.

De volgende, nr.6, in deze reeks is een zelfportret van de kunstenaar aan het werk. Het is niet zo zeer een portret van Escher als Escher. Maar dit motief met de bolle spiegel, een zilveren bol, zal een belangrijke onderwerp worden in zijn latere werk. Het is het oer voorbeeld van het zelfportret in een spiegelende bol waar Escher later wereldberoemd mee wordt. Bovendien kun je denken dat hij de spiegelende bol in dit geval ook als een ster ziet die in het heelal rondzweeft. Sterren, planeten worden na de Tweede Wereldoorlog een onderwerp waar Escher zich mee bezighoudt. Op zich is dat niet verwonderlijk want hij keek al sinds zijn vijftiende samen met zijn vader door een sterrenkijker die speciaal voor hem in Parijs was gekocht.

Hij zette het in het kleine boekje Flor de Pascua van zijn vriend Aad van Stolk uit 1921. De illustraties voor dit boekje zijn de eerste betaalde prenten, die hij maakt.

Het volgende, nr. 7, zelfportret grijpt in feite terug op nr. 4: weer de nadruk op de sterk fixerende ogen en het inmiddels golvende haar. De wenkbrauwen lopen nog steeds door, maar zijn verfijnder, vriendelijker. Dat komt natuurlijk ook omdat Eschers ogen op onze ooghoogte staan en ons recht aankijken, terwijl in het in het oudere portret hij zijn hoofd iets gebogen blijkt te hebben waardoor het lijkt alsof hij ons van achter zijn wenkbrauwen fixeert. Het portret benadrukt het feit dat dit een houtsnede is, de kop lijkt wel uit hout gesneden. Maar ondanks dit oogt het toch minder druk, aanwezig en dwingend.

Maurits in 1924
M.C. Escher, Zelfportret, houtsnede, 1923

Escher ziet zichzelf als iemand die een zekerheid heeft gevonden, dat heeft hij ook wel een beetje, want hij is verliefd op Jetta Ummiker en zij heeft hem niet afgewezen. Het is wel aardig om dit portret te combineren met een foto uit die tijd. We zien dan een aanzienlijk opener en zelfs een jongeman die wat verlegen is. Dat geeft een nuancering van het zelfportret.

Zes jaar later als hij nr. 8 maakt, is hij vader van twee kinderen en een kunstenaar die, in zijn eigen kring in Rome, waardering krijgt. Je ziet een lieve man wat peinzend en ernstig, maar toch ook met een licht ironische oogopslag. Zijn oudste zoon George vertelt dat Escher in hun jeugd ballenbanen voor hem en zijn broer Arthur bouwde: lange constructies waar een balletje door buizen, langs randjes van tafeltjes en ander meubilair werd geleid. Escher had er misschien nog wel meer pret in dan zijn zoons.

De baard en de snor zijn nauwkeurig bijgehouden terwijl hij in het voorjaar van 1929 tijdens zijn lange wandeling door de Abruzzen in het kleine bergdorp Castrovalva gevangen werd gezet omdat hij er onverzorgd en vreemd uitzag en dus wel eens de voortvluchtige aanslagpleger op Mussolini kon zijn!

M.C. Escher, Hand met spiegelende bol (Zelfportret in bolspiegel), litho, 1935
M.C. Escher, Stilleven met bolspiegel, litho, 1934

Het Stilleven met bolspiegel, nr. 9, is van november 1934 en Hand met spiegelende bol, nr. 10, is van januari 1935, twee maanden later. Het tweede wereldberoemde werk heet ook Zelfportret in bolspiegel alsof hij nu pas ontdekt dat hij zelf het mannetje in de zilveren bal is. In de spiegeling zien we het interieur van het atelier in de Via Alessandro Poerio te Rome.
In deze litho laat Escher ons toch ook weer de wereld van een onverwachte kant zien door de hand die de bol vasthoudt zo nadrukkelijk in beeld te brengen.

Elf jaar later maakte Escher de litho Drie bollen, nr. 11, die gaat nog meer over één van zijn grote fascinaties: de spiegeling. Want hier zien we drie bollen van verschillend materiaal naast elkaar liggen. Ik geloof dat ik de linker glazen bol nog spannender vind, dan de middelste zilveren bol waar we het Baarns atelier in zien. Hij is ouder geworden, sadder and wiser, of is dit een te geijkt beeld? Ik vermoed dat Escher een ironische man was die graag onderkoelde grapjes maakte en dan tevreden was als iemand die niet meteen doorhad. Iemand die alles net even anders bekeek en daardoor ook andere invallen kreeg dan wij. Herhaaldelijk heeft hij het over het belang van de verwondering.

Waarom spreekt de linker bol me zo aan? Omdat ik het zo razend knap vind dat iemand licht kan laten zien! Een glazen bol weerspiegelt vooral licht! Het is niet alleen technisch ongelofelijk ingenieus om dit te kunnen maken, het is ook een prachtige visuele paradox.

Het laatste zelfportret, nr. 12, maakte Escher in 1950. Hij zou het een jaar later gebruiken voor zijn tentoonstelling bij de Kunsthandel Leffelaar in Haarlem. Het is ook klein met een diameter van 8,2 centimeter. Ongeveer net zo groot als het eerste portretje in een spiegelende bol dat hij voor Flor de Pascua, het boekje van Aad van Stolk, maakte.

M.C. Escher, Zelfportret in bolspiegel, houtsnede, april 1950
Aankondiging met Zelfportret in bolspiegel

Hier is hij weer de kunstenaar, maar meer nog de man aan het werk. Voor het eerst zien we zijn tekenende handen groot op de voorgrond staan. Hij maakt een beetje een karikatuur van zichzelf. Dit kleine zelfportret gaat terug naar de bron van zijn werk, zijn handen, het vakmanschap, zet hij in de voorgrond. De vorm en het formaat is net zo intiem als het portretje uit 1921. De cirkel is rond: uit het oude groeit het nieuwe. Dit kleine zelfportret, nr. 12, is de laatste uit de reeks die begon in 1917.

Meer verhalen over Escher