Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Over Escher

Het leven van Escher

Op 17 juni 1898 werd M.C. Escher geboren in Leeuwarden. Hij is de derde zoon uit het tweede huwelijk van George Arnold Escher met Sara Gleichman. Uit een eerder huwelijk kreeg vader G.A. Escher al twee zonen. Maurits Cornelis werd vernoemd naar een oom van zijn moeder. Toen hij klein was, verbasterde deze officiële naam in de familie tot het vriendelijke ‘Maukie’ en later werd het ‘Mauk’. Die naam zou ook door zijn vrienden worden gebruikt.

Eschers vader was een waterbouwkundig ingenieur en een van de acht Nederlandse ‘Watermannen’ die eind 19e eeuw op uitnodiging van de keizer in Japan werkten. Na terugkeer in Nederland wordt zijn vader uiteindelijk in 1890 hoofdingenieur van het district Friesland en Groningen van de dienst Rijkswaterstaat te Leeuwarden. In Leeuwarden huurt hij het Princessehof voor zijn gezin, waar hij kantoor aan huis heeft.

Jeugd

In 1903 verhuist het gezin naar Arnhem. Mauk heeft een prettige jeugd, ondanks de vele ziektes waar hij door geteisterd wordt. Om aan te sterken, gaat hij in 1905 op 7-jarige leeftijd voor een langere periode alleen naar een kinderpension in Zandvoort. Net als de andere zonen krijgt Escher een brede opvoeding, waarin hij bijvoorbeeld ook timmer- en pianoles krijgt. Op het platte dak van het huis staat een sterrenkijker die Escher en zijn vader regelmatig gebruiken. Ook houdt hij zich vanaf jonge leeftijd al bezig met tekenen.

Het Princessehof in Leeuwarden, het geboortehuis van M.C. Escher
Escher (met strooien hoed links vooraan) in Zandvoort, 1905

Ondanks het leeftijdsverschil tussen Mauk Escher en zijn oudere broers zou er altijd een hechte onderlinge band blijven. Later zal zijn halfbroer Berend, professor in de geologie en de latere rector van de Universiteit van Leiden, hem op de hoogte houden van de nieuwste vakliteratuur op het gebied van de kristallografie. Die inzichten zouden Escher tot meerdere prenten inspireren.

In 1912 gaat M.C. Escher in Arnhem naar de middelbare school. Hij ontmoet er zijn levenslange vrienden Bas Kist, Roosje Ingen Housz, Jan van der Does de Willebois en diens zuster Fiet. School interesseert Escher nauwelijks. Hij blijft in de tweede klas zitten en haalt in 1918 het eindexamen niet. Toch kan hij dankzij connecties van zijn vader als eerstejaars bij de Technische Universiteit in Delft worden aangenomen. Zijn ouders hopen dat hij architect gaat worden.

Opleiding

De opleiding in Delft is geen succes en Escher voltooit dan ook zijn eerste jaar niet. Als compromis met zijn ouders begint hij in september 1919 aan de School voor Bouwkunde, Versierende Kunsten en Kunstambachten te Haarlem. Hij schrijft zich in aan de afdeling Bouwkunde, maar binnen een week laat hij zijn werk zien aan de leraar grafische kunsten, Samuel Jessurun de Mesquita. Die adviseert hem een overstap naar de grafische afdeling. Na een gesprek met Jessurun de Mesquita geven zijn ouders toe en mag Mauk grafisch kunstenaar worden.

Een van de bezwaren die Eschers vader tegen de beroepskeuze van zijn zoon had, was het vermoeden dat hij later niet in zijn eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. Dat blijkt na de opleiding uit te komen. De ouders van Escher – en na zijn huwelijk in 1924 ook zijn schoonouders – ondersteunen het gezin van M.C. Escher. Die ondersteuning van Mauk was niet uitzonderlijk voor de familie Escher: vader George hielp al zijn zonen in geval van nood.

Reizen en huwelijk

Na zijn Haarlemse schooltijd maakt Escher een aantal keren lange reizen naar Italië. In 1922 bezoekt hij Spanje. Daar aanschouwt hij voor het eerst het Alhambra in Granada. Hier ziet hij de Moorse tegels met hun doorlopende versieringen, die later veel invloed zullen hebben op zijn werk. In maart 1923 ontmoet Escher in het Italiaanse Ravello het Zwitserse gezin Umiker. Hij wordt verliefd op de jongste dochter Giulietta, roepnaam Jetta. In de maanden daarop, wanneer Jetta terug is in Zwitserland, volgt een intense briefwisseling. Uiteindelijk wordt op 12 juni 1924 het huwelijk tussen Mauk Escher en Jetta Umiker gesloten in Viareggio.

Trouwfoto van het kerkelijk huwelijk, Viareggio, 16 juni 1924
M.C. Escher met George Arnold Escher, 29 december 1926

In oktober 1925 betrekken Escher en Jetta hun appartement te Rome. Een jaar later volgt de geboorte van hun zoon George. In 1928 wordt hun tweede zoon Arthur geboren. Ook na zijn huwelijk reist Escher nog steeds door Italië. Ieder voorjaar maakt hij lange trektochten door een ander deel van Italië, zoals Calabrië, Sicilië, de Abruzzen en de kust bij Napels. Escher houdt veel van deze lange wandeltochten, een liefhebberij die hem de rest van zijn leven bijblijft.

De beginjaren als kunstenaar

In februari 1924 krijgt Escher zijn eerste Nederlandse tentoonstelling bij Kunsthandel de Zonnebloem te Den Haag. Zijn werk wordt lovend besproken in Elseviers Geïllustreerd Maandschrift van juni 1924.

Vanaf 1926 exposeert hij regelmatig in Italië en Nederland, o.a. bij de Haagse Pulchri Studio, in Amsterdam, Leeuwarden en Utrecht, maar ook in Warschau, Praag en Madrid. Vanaf 1929 maakt Escher ook steeds vaker lithografieën. Door middel van prenten als Goriano Sicoli, Abruzzi (1929) en Zelfportret (1929) weet hij zich de techniek eigen te maken en na verloop van tijd te perfectioneren. De litho Nonza, Corsica (1934), van het Corsicaanse dorpje Nonza, wint in 1934 zelfs de derde prijs op de International Exhibition of Contemporary Prints in het Art Institute van Chicago. Zijn reizen door Italië, Spanje en Corsica blijven hem inspiratie bieden voor zijn kunst. Ook al maken zijn prenten van landschappen en steden hem niet echt beroemd, langzamerhand bouwt hij beetje bij beetje zijn bekendheid als kunstenaar uit. Desondanks blijft het financieel lastig voor Escher om een goede basis voor zichzelf en zijn gezin te creëren.

Vertrek uit Italië

Het leven in Rome wordt ondertussen steeds lastiger. Bij zoon Arthur worden er tuberculosecellen geconstateerd en ook het opkomende fascisme in Italië zint Escher niet. Op 4 juli 1935 verhuizen Mauk, Jetta en hun twee zonen naar het plaatsje Chȃteaux-d’Oex in Zwitserland. De geïsoleerde en koude omgeving maakt Escher echter ongelukkig. Het gezin verblijft er dan maar ook kort, want in 1937 verhuizen ze naar Ukkel, bij Brussel. Daar wordt in 1938 hun derde zoon Jan geboren.

De brief van het Art Institute in Chicago
Villa Les Clématites, de woning van het gezin Escher in het Zwitserse Château-d’Oex

Andere werkelijkheid

In Italië heeft Escher tot dan toe zijn inspiratie weten te halen uit het mediterrane landschap. In zijn prenten spelen de natuur en de waarneming hiervan een grote rol. Hierdoor lijken Eschers voorstellingen altijd vrij dicht bij de werkelijkheid te liggen. Het landschap van Zwitserland en België inspireert hem nauwelijks en Escher begint zich steeds meer tot zijn fantasie te wenden. Zijn eerdere fascinatie voor landscapes verandert in die voor mindscapes: fantasievolle ‘landschappen’, gemaakt in Eschers eigen hoofd. Urenlang kan hij nadenken over nieuw te scheppen werelden vol onmogelijkheden, maar met Italië altijd in zijn achterhoofd. In prenten als Stilleven met spiegel (1934) en Stilleven en straat (1937) geeft Escher deze onmogelijke en fantasievolle situaties weer in een Italiaanse omgeving.

In 1936 maken Escher en Jetta een lange zeereis naar Spanje. Daar bezoekt Escher voor de tweede keer het Alhambra in Granada, maar ook de Mezquita te Córdoba. Vanaf dit moment stort hij zich weer op het maken van vlakvullingen. Deze aaneensluitende patronen vormen vanaf dat moment steeds vaker de basis voor zijn prenten.

Terug in Nederland

Uiteindelijk vestigt de familie Escher zich in 1941 in het plaatsje Baarn. Escher is daarmee weer terug op Nederlandse bodem. Hoewel hij het Italiaanse landschap mist, voelt hij zich thuis en hij zal dan ook tot zijn dood in Nederland blijven wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt hij maar weinig nieuwe prenten. Omdat hij zich weigert in te schrijven bij de Nederlandsche Kultuurkamer, mag Escher in die tijd niet deelnemen aan exposities.

Escher kon met de verkoop van zijn prenten geld verdienen, ook al voor zijn internationale doorbraak na de Tweede Wereldoorlog. Het was echter niet voldoende om een gezin van te kunnen onderhouden, zeker niet in zijn beginjaren als kunstenaar. Naast zijn vrije werk krijgt Escher regelmatig opdrachten in Nederland, onder andere voor houten intarsiapanelen in het raadhuis van Leiden in 1940-41, en voor postzegels en ex librissen. Hij maakt illustraties bij boeken van vrienden of voltooit andere opdrachten. Vanaf de tweede helft van de jaren 30 begint Escher meer te experimenteren met onmogelijke en verbazingwekkende taferelen, waarmee hij meer en meer bekijks trekt.

Beroemd

In 1951 wordt er over Eschers werk in het Britse vaktijdschrift The Studio geschreven. Ook publiceren de internationaal gelezen populaire tijdschriften Time en Life over Eschers werk. De Amerikaanse belangstelling wordt hierdoor enorm op gang gebracht. Escher krijgt veel verzoeken voor nieuwe afdrukken van zijn prenten. Vooral Dag en nacht uit 1938 is geliefd. Escher drukt zijn houtsneden zelf en hij beklaagt zich later dat hij dit voor deze prent meer dan 600 keer heeft moeten doen. In 1961 schrijft E.H. Gombrich in The Saturday Evening Post over Eschers werk.

Escher krijgt nu ook tentoonstellingen in het Stedelijk Museum te Amsterdam (in het kader van het Internationaal Mathematisch Congres) en op meerdere plekken in Amerika en Groot-Brittannië. Uiteindelijk wordt in 1968 in het Haags Gemeentemuseum (nu Kunstmuseum Den Haag) Eschers eerste grote overzichtstentoonstelling gehouden, ter ere van zijn 70ste verjaardag. In 1955 wordt M.C. Escher Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Ook krijgt hij in 1965 hij de Cultuurprijs van de stad Hilversum en in 1967 ontvangt hij nogmaals een koninklijke onderscheiding.

Overlijden

De gezondheid van M.C. Escher is sinds zijn vroegste jeugd broos geweest. In zijn laatste jaren ondergaat hij meerdere malen zware ingrepen in het ziekenhuis. In 1969 ontwerpt Escher zijn laatste houtsnede: Ringslangen. Daarna drukt hij nog wel eens ouder werk af, maar hij maakt geen nieuwe prenten meer. Omdat Eschers gezondheid achteruitgaat, woont hij vanaf 1970 in het Rosa Spier Huis te Laren. Dit tehuis was in 1969 opgericht door de Nederlandse harpiste Rosa Spier, als woon- en werkgemeenschap voor oudere kunstenaars en wetenschappers. Daar kan hij zich omringen met gelijkgestemden.

M.C. Escher overlijdt op 27 maart 1972 in het Diakonessehuis te Hilversum.