Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Home

Escher vandaag

Hier haken we in op data uit het leven en werk van M.C. Escher, kriskras door de tijd maar toch actueel. Geniet het hele jaar door van achtergrondverhalen, anekdotes en weetjes over deze fascinerende kunstenaar.

De Franse reis met Jan, 1950

Op 17 juli 1950 vertrok Maurits samen met zijn jongste zoon Jan (11 jaar) naar Parijs, het begin van een Franse reis net zoals hij die zelf als kind had gemaakt.

'Reeds één uur voor aankomst te Parijs zei Jan: je moet mij waarschuwen zodra je de Eiffeltoren ziet. Hij zag hem tenslotte eerder dan ik.'

Oudste zoon Arthur was naar Lausanne verhuisd om daar op aanraden van oom Beer geologie te studeren. George was kort daarvoor in dienst gegaan. Escher daarover:

'George is, tot onze smart, sinds 2 weken in dienst, na jarenlang studie-uitstel. Dat is beroerd, want je weet nooit of zoo'n jongen later nog de energie vindt om verder te studeren. [Die angst bleek niet terecht]. Dus zijn wij maar alleen met Jantje die, nog op de lagere school, het nest dus gelukkig nog niet gauw zal verlaten.'

Zoals bij veel van zijn reizen hield Escher een dagboek bij waarin hij nauwkeurig beschreef hoe het reisschema eruit, waar ze sliepen, wat ze aten, wat ze allemaal zagen en wat alles kostte. De eerste dagen struinden ze door het Quartier Latin en over het Ile de la Cité en beklommen de Notre Dame:

'Boven op de rechtertoren konden wij uit het travertijn [dichte soort van kalktufsteen] die verweerd was, kleine fossielen peuteren.'

Daarna reisden ze per trein naar en bus door naar de Dordogne. Ze daalden bij warm weer in de grotten af en het is waarschijnlijk dat daar in Frankrijk de basis werd gelegd voor Jans latere geologische loopbaan, een vakgebied waarin Arthur hem voor ging. Escher hield écht vakantie in wat hij 'een paradijs' noemde. De afwisseling was groot: prehistorische- en druipsteengrotten, middeleeuwse architectuur, lange wandelingen, vissen en zwemmen. Hij zocht en vond met Jan fossielen, en tekende ouderwets landschappen, een gefortificeerde boerenhoeve en de

'grotten des Eyzies vanaf de paddestoelvormige Rocher de la Peine. Moeilijk en ingewikkeld.'

Op de terugreis werd nogmaals Parijs aangedaan:

'...daarna naar de Halles, Jan geïnteresseerd in drukte; velerlei vlees, groenten en vis. Toen op zoek naar "nageoires" [zwemvliezen] voor George, 4 grote magazijnen afgelopen. Eindelijk juiste maat gevonden in "Printemps". Bril (voor onderwater) en buis (om onderwater te ademen) alles samen voor Frs. 3250. Na lunch naar St. Séverein, Panthéon (met graven in crypt van o.a. Victor Hugo en Emile Zola). Daarna St. Chappelle (Jan toonde daarvoor weinig enthousiasme). Vervolgens naar Champs de Mars om foto's te nemen van de Eiffeltoren. Eindelijk naar de Sacré Coeur, met funiculaire en wat gedronken op de boulevard, alwaar krachtpatser gewichten hief. In metro de lichtstraal bewonderd en geëxperimenteerd die electr. roltrap automatisch in beweging brengt als de lichtbundel onderbroken wordt door er voorbij te lopen. 's Avonds naar Place de la Concorde. Wij zagen de lichten en schijnwerpers één voor één aangaan: obelysk, fonteinen, beelden, paleizen, brede Triomphe in de verte; Jan opgetogen, mooi einde van onze reis.'

Cirkellimiet IV (Hemel en Hel)

In juli 1960 voltooide Escher de laatste van zijn vier 'cirkellimieten'. Hij had er al een tijd mee gestoeid maar hij werd pas op het juiste pad gebracht door een publicatie van de Canadese professor H.S.M. Coxeter. Hij had deze hoogleraar aan de Universiteit van Toronto in 1954 ontmoet, tijdens het Internationaal Mathematisch Congres. In het artikel beschreef Coxeter hoe een vlakvullingmotief van het centrum naar de rand van een cirkel steeds verder verkleind wordt en de motiefjes oneindig dicht bij elkaar komen te staan. In 1957 gaf Coxeter een lezing voor de Royal Society of Canada en hij vroeg Escher per brief of hij een paar werken van de graficus in de lezing mocht gebruiken. Na afloop stuurde Coxeter Escher een afdruk van zijn lezing (die onder de naam Crystal Symmetry and Its Generalizations was gepubliceerd), waarin hij ook het figuur had opgenomen waarover Escher zo enthousiast zou worden. Coxeter baseerde dit figuur op zijn beurt op het werk van de Franse wiskundige Jules Henri Poincaré die in zijn Poincaré disc deze vorm van hyperbolische meetkunde had gevisualiseerd.
Escher haalde zijn inspiratie vooral uit de illustraties, met de begeleidende tekst kon hij weinig.

'Aan Coxeters hokus-pokus tekst heb ik niets, maar het plaatje helpt mij waarschijnlijk tot het maken van een vlakverdeling, die een voor mij volkomen nieuwe variant belooft te worden van mijn serie vlakverdelingen. Een cirkelvormige, regelmatige vlakvulling, die aan alle zijden logisch begrensd wordt door het oneindig kleine, is wel iets wonderschoons, haast even mooi als de regelmatige vlakverdeling van het boloppervlak. Tegelijkertijd heb ik het gevoel dat ik mij hoe langer hoe meer verwijder van datgene, waarmee ik "succes" zou kunnen boeken bij het "publiek"; maar wat kan ik er aan doen, als zulk een probleem mij zo boeit dat ik er niet van af kan blijven. Het is minder eenvoudig dan het lijkt. Probeer het maar eens: zet maar eens een (of vier) vierkantjes van een willekeurige grootte in het midden van een cirkel (b.v. van elkaar gescheiden door twee loodrecht op elkaar staande middellijnen) en verklein die dan gaandeweg naar buiten toe, en wel zodanig, dat ze als schaakbord-velden aan elkaar grenzen. Met enkel viertallige assen kom je er niet; je moet de 4-tallige afwisselen met 6-tallige op een allercurieuste wijze, die normaliter op het platte vlak onmogelijk is. De begrenzingen zijn dan ook maar voor een klein deel rechtlijnig (slechts 3 elkaar snijdende middellijnen) en voor de rest zijn het allemaal cirkels. Zonder het plaatje van Coxeter zou ik dan ook nooit op het idee gekomen zijn.'

Een correspondentie tussen de graficus en de mathematicus volgde, waarbij Escher om advies vroeg over hoe verder te gaan met zijn pogingen grip te krijgen op deze bolvormige vlakvullingen. Coxeter leerde op zijn beurt van Escher omdat die met oplossingen kwam voor deze vorm waaraan de hoogleraar nog niet had gedacht. De wiskundige kant bleef voor Escher echter uitermate moeilijk. Toen hij Coxeter in 1960 een afdruk stuurde van Cirkellimiet III kreeg hij een enthousiaste brief terug. Maar opnieuw begreep hij niets van wat Coxeter hem in schrift uit wilde leggen.

'Drie zijdjes vol met explicaties over wat ik eigenlijk wel gedaan heb. Jammer dat ik er niets, maar dan ook niets, van begrijp.'

Als basis voor Cirkellimiet IV gebruikte Escher een tekening uit een van zijn schetsboeken: Regelmatige vlakverdeling nummer 45, gemaakt tijdens Kerstmis 1941. De subtitel van Cirkellimiet IV is Hemel en Hel. In de prent zijn namelijk witte 'engelen' te zien en zwarte 'duivels' (in de vorm van vleermuizen). De drie engelen en drie duivels in het midden vullen elkaar perfect aan. Het goed en het kwaad hebben elkaar nodig om zichtbaar te zijn, tot in het oneindige.
Het fascinerende en briljante van Escher blijft toch wel dat het hem is gelukt hyperbolische vlakvullingen te maken die zijn gebaseerd op complexe wiskundige theorieën waar veel wiskundigen hun hoofd over gebroken hebben, terwijl hij zelf niets begrijpt van deze theorieën.

Zwaartekracht, 1952

In juni 1952 maakt Escher de litho Zwaartekracht, die door zijn onderwerp naadloos in de reeks met planetoïden en sterren past die hij tussen 1948 en 1954 maakte. Ze lijken allemaal uit dezelfde science-fictionwereld te komen waarvan je toch niet vermoed dat Escher zich hierin thuis voelt. De eerste houtgravure Sterren uit 1948 lijkt nog eenvoudig, maar Zwaartekracht, Dubbele Planetoïde (1949) en Viervlak-planetoïde (1954) zijn een stuk complexer. Op deze planetoïden kun je je beschavingen voorstellen die enigszins verwant zijn aan de onze. De planetoïde in Zwaartekracht is een kleine sterdodecaëder. Het is een lichaam van twaalf vijfpuntige sterren die elk bezet zijn door een piramide.
Escher hield veel van deze ruimtelijke figuur omdat ze tegelijk eenvoudig en toch ingewikkeld is. Hij gebruikte ze in meerdere prenten. Hier vormt elke ster een gevangenis voor een monster met lange hals en vier poten. Het lichaam zit vast maar de lichaamsdelen proberen te ontsnappen. Elke piramide heeft vijf trapeziumvormige openingen waaruit de hals en poten steken. Omdat het er maar vijf zijn, moeten de beesten het zonder staart doen. Om de monsters van elkaar te onderscheiden heeft Escher ze in deze litho met de hand een eigen kleur gegeven. Omdat het twaalf gevangenissen zijn, zijn er twaalf monsters. Twee van elke kleur die recht tegenover gepositioneerd zijn: rood, oranje, geel, paars, groen en blauw. Oorspronkelijk was hij van plan Zwaartekracht met schildpadden te maken. Dat wetende zou je ook kunnen zeggen dat deze beesten inderdaad schildpadden zijn, maar hun schild is hier vervangen door hun gevangenis.

Jan Walch en Scholastica

Op 22 juni 1933 spraken de schrijver Jan Walch en Escher samen met uitgeverij Van Dishoeck over de uitgave van een verhaal van Walch dat door Escher geillustreerd was met houtsnedes. Het verhaal was gesitueerd in het plaatsje Oudewater, dat bekend was om zijn heksenwaag. Het werd beroemd in de 16de eeuw omdat mensen die beschuldigd werden van hekserij hier een eerlijke kans kregen om hun onschuld te bewijzen. In veel steden en landen waren deze processen doorgestoken kaart, waardoor honderden onschuldige mensen verbrand of verdronken werden. Beschuldigden uit heel Europa kwamen naar Oudewater om de dood op de brandstapel te ontlopen.
In de zomer van 1931 hadden Escher en Walch samen het stadje bezocht. Escher maakte er foto’s en kocht prentkaarten die hem konden helpen bij de latere illustraties. Drie weken later stuurde hij Walch al de eerste houtsnede: een heks op een bezemsteel, bij heldere nacht zwierend boven de slapende stad. In totaal maakte Escher zes grote en dertien kleine houtsnedes met personages uit het verhaal en een aantal vignetten. Onder de naam 'De vreeselijke avonturen van Scholastica' verscheen het boek in 1933 bij Van Dishoeck. De samenwerking was geslaagd en deze illustraties waren ook commercieel interessant, maar voor Escher gold dat hij toch liever zelf een eigen wereld wilde creëren.
De uitgave van Scholastica zou het laatste boek zijn waarvoor Escher illustraties zou maken. Hij zette zich af tegen elke associatie met het vak boekillustrator. Toen de bibliofiele stichting De Roos hem in 1956 vroeg om een verhaal van Belcampo te illustreren, reageerde Escher principieel. Hij schreef in een brief aan het bestuur dat hij geen illustrator-van-nature was.

'Mijn werk heeft niets illustratiefs. Illustreren wil zeggen: de ideeën van een ander adopteren, terwijl ik hoe langer hoe meer mijn eigen, persoonlijke (zelfs hyper-persoonlijke) gedachten in beeld tracht te brengen.'

Hij legde uit dat hij illustreren beschouwde als puur tijdverlies, omdat hij het als een plicht zag zich vooral te concentreren op de gedachten die hij in zijn 'verbeeldingen' uitte, een soort van gedachten die bij zijn collega's zo goed als niet voorkwamen. Aan het verhaal van Belcampo, 'Het grote gebeuren', lag het overigens niet.

'Een meesterlijk verhaal, [...] het allerbeeldenste dat hij ooit heeft geschreven',

is het oordeel van Escher. Hij stelt voor zelf een boek voor De Roos te maken met daarin 'woordillustraties' bij zijn eigen prenten. Dat boek verscheen in 1958 en de tekst bevat Eschers ideeën bij zes van zijn eigen vlakverdelingen.

Geboortedag en Vaderdag

Dubbel feest! 17 juni is Eschers geboortedag en het is vandaag ook Vaderdag. Daarom een bijzondere foto waarop vader Maurits met zijn gezin is te zien, in het najaar van 1938. Het is ook een zeldzame foto omdat Escher zelf meestal de camera vasthield. Escher wordt geflankeerd door zonen George Arnold (midden, van 23 juli 1926) en Arthur Eduard (links, van 8 december 1928) Jan Christoffel, geboren op 6 maart 1938, is meer bezig met broer George dan met de camera.

Bootreis 1961

Op 15 juni 1961, om 18.05, vertrok Escher samen met zijn vrouw Jetta uit Baarn. Ze namen de trein naar Rotterdam en vanaf daar de nachtrein naar Bern, om 20.03. De volgende ochtend om 7.44 kwamen ze aan in Bern. Daar werden ze opgehaald door Eschers vriend Paul Keller en diens dochter Theresa. Jetta vertrok met Theresa naar het huis van de Kellers in Münsingen. Maurits en Paul namen de trein naar Venetie en scheepten zich daar in op de Cagliari.
Het was de start van een bootreis die de twee naar Triëst, Bari, Napels, Salerno, Catania, Messina, Palermo, Algiers, Lissabon, Londen en Hamburg zou voeren. Dat weten we allemaal zo precies omdat Escher alles keurig in zijn reisdagboek noteerde. Zo schreef hij ook dat Paul een kamer in Bern had geboekt in een 'onzinnig duur, modern en luxueus hotel: Parc Hotel. Half pension Frs. 42 p.persoon!' Escher kon het zich inmiddels prima veroorloven maar gemakkelijk geld uitgeven deed hij nog steeds niet. Hoewel hij enorm genoot van het reizen per boot viel het hem fysiek ook steeds zwaarder. Gepland was het niet maar de reis met Keller in 1961 zou zijn laatste bootreis zijn.

De werelden van M.C. Escher

Op 7 juni 1968, vandaag precies 50 jaar geleden, opende De werelden van M.C. Escher, de eerste Nederlandse overzichtstentoonstelling van M.C. Escher in het Haagse Gemeentemuseum. De directe aanleiding was Eschers 70ste verjaardag, op 17 juni dat jaar. Het was zeker niet zijn eerste expositie, maar het was wel voor het eerst dat een belangrijk kunstmuseum op eigen initiatief een overzicht toonde van zijn hele werk, benaderd zowel vanuit de kunstgeschiedenis als vanuit Eschers eigen systematiek.
De opening was een groot succes. Escher was er met zijn vrouw Jetta door zoon Jan naartoe gereden. De aula was afgeladen vol en in de hal daarbuiten stonden meer dan 100 mensen die er niet meer in konden. Escher werd geëerd met speeches en gaf zelf een korte lezing met dia's. De tentoonstelling trok tienduizenden bezoekers, geïnteresseerd geraakt door een uitdagende tentoonstellingsposter (met een afbeelding van Andere Wereld) en het lange interview met Bibeb dat op 20 april in Vrij Nederland was verschenen. De catalogus moest binnen de kortste keren worden herdrukt en Escher werd geïnterviewd door vele Nederlandse en buitenlandse journalisten. De kritieken waren unaniem positief en lieten zien dat de auteurs zich echt flink verdiept hadden in Eschers oeuvre.
Zo schreef het NRC:

"De samenstelling van de tentoonstelling, die het mogelijk maakt Eschers kunst van diverse kanten te benaderen, is enig in haar soort, zoals ook Escher uniek is. Een tweede kunstenaar van wie men zo'n expositie kan maken zou uiterst lastig te vinden zijn. Iedere ware liefhebber en kenner van het grafische metier dient hem te bewonderen, desnoods met voorbijgaan aan zijn knappe wetenschappelijkheid. Zijn beheersing van de techniek van houtsnede, houtgravure en litho is meesterlijk in zuiver artistiek opzicht. Ik blijf het intussen een onbegonnen werk vinden om topstukken aan te wijzen. De thema's en hun problematiek mogen vaak wisselen, maar de kwaliteit van de vormgeving blijft artistiek gezien vrijwel steeds van hetzelfde niveau."

En de Volkskrant:

"Een man van wetenschap verbaast zich, wil weten, gaat analyseren - een kunstenaar verwondert zich, laat het voorwerp van zijn verwondering verheerlijkt liggen in zijn open hand en herschept het in een bezield beeld. Het zeldzame bij Escher is nu dat zijn verwondering ontspringt aan een hoogste orde, een kristal, en dat het die orde artistiek beelden bevestigt en verklaart. Vanuit dit samentreffen ontstond een artistiek levenswerk van beslist unieke aard."

Hij moest er 70 voor worden maar Escher werd eindelijk door een groot publiek serieus genomen als grafisch kunstenaar.

Zondeval

U heeft nog 10 dagen om een aantal bijzondere prenten van Escher te zien in Het Paleis. Op 11 juni gaan ze weer het depot in en dan komen er weer aantal nieuwe schatten tevoorschijn. Eerder bespraken we al de houtsnede De derde scheppingsdag, een uit een serie waarin Escher de schepping verbeeldde in een sterk contrast van zwart en wit.
Vandaag is er aandacht voor een houtsnede die niet tot de scheppingsserie behoort maar wel een Bijbels thema heeft. Zondeval toont Adam en Eva in het Paradijs op het moment dat ze tegen Gods wil in toch van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten hebben. Daartoe waren ze verleid door de duivel die in de vorm van een slang eerst Eva overtuigde waarna ook Adam van de vruchten at. Escher beeldt het tweetal af als Adam net gegeten heeft van de appel en vol afschuw op de grond is gaan zitten. Wetende dat ze een grote fout gemaakt hebben.
Bijzonder in de houtsnede van Escher is dat hij geen slang afbeeldt maar een soort draak of grote hagedis. Daarmee haakt Escher aan bij een interpretatie van dit Bijbelse verhaal waarin het dier dat Eva verleidt poten en klauwen had voordat de zondeval plaats vond. Volgens de bijbel moest het dier pas daarna over de grond kruipend verder, daartoe veroordeeld door God. Die vervloeking impliceert dat er toen iets veranderd is in de wijze van voortbeweging van de slang, vermoedelijk gepaard gaande met een gedaanteverandering.
Ook kunstenaars als Albrecht Dürer en Rembrandt hebben de vorm van een draak gebruikt. Die twee laten Adam en Eva zien net voor de daad, maar bij Escher heeft het tweetal al van de appel gegeten. Het bijzondere in de versies van Rembrandt en Escher is dat de draak er gemeen uitziet, zonder de meestal mildere trekken van het beest bij andere kunstenaars. Een andere overeenkomst met Rembrandt is moeilijker te spotten. Beiden tonen in de achtergrond een olifantje. Het dier staat symbool voor vroomheid en kuisheid maar staat ook voor Christus, de enige die de gevallen mens kan oprichten.

Rossano

Op 25 mei 1930 keerde Escher terug in zijn woonplaats Rome na een reis door de Italiaanse provincies Campanile en Calabrië, samen met zijn vrienden Giuseppe Haas-Triverio, Roberto Schiess en Jean Roussett. Zijn indrukken van die reis zou hij in de herfst en winter daarop uitwerken tot een hele serie houtsnedes en litho's. Als basis daarvoor gebruikte hij schetsen maar ook foto's. Die had hij tijdens de reis gemaakt en netjes in een fotoalbum geplakt. Het zijn foto's die op het eerste gezicht gewoon herinneringen aan een mooie vakantie lijken, maar de meeste landschappen daarin zouden terugkeren in zijn prenten.
Op 22 mei 1930 waren de vier reisgenoten in het plaatsje Rossano in Calabrië. Ze bezochten het Oratorio di San Marco, een oratorium uit de 10e eeuw dat een van de belangrijkste voorbeelden van Byzantijnse kunst in Italië is. Het gebouw heeft een Grieks grondplan met vijf karakteristieke koepels op cilinders. Hiermee lijkt het veel op de Cattolica van Stilo, het andere belangrijke voorbeeld van Byzantijnse kunst dat de vrienden een aantal dagen ervoor hadden bezocht. In februari 1931 maakte Escher een houtsnede van Rossano. Niet naar een foto en de kunstenaar laat zich in deze prent dan ook gaan. Hij zette het landschap naar zijn hand door de lijnen die wij gewone stervelingen niet zien te accentueren, alsof een goddelijke stralenkrans het landschap optilt.
Van deze reis schreef Escher zelf een reisverslag dat in De Groene Amsterdammer van 23 april 1932 is gepubliceerd.

'De onbekende bergnesten in het onherbergzame binnenland van Zuid-Calabrië zijn meestal slechts door een muilezelpad met den spoorweg, die vlak langs de kust loopt, verbonden: wie er heen wil, dient te voet te gaan zoo hij geen ezel tot zijn beschikking heeft. Ik denk terug aan dien warmen namiddag in de maand Mei toen wij met ons vieren, na een lange, vermoeiende tocht in de barre zon, bepakt met de zware last onzer rugzakken, zweetdruppelend en een beetje hijgend de stadspoort van Palizzi binnentraden. Onze schreden richtten zich werktuigelijk naar de kroeg. Een tamelijk groote, koele ruimte, uitsluitend verlicht door het gat van de deur, de wanden zijn misschien eens, in langvervlogen dagen, witgekalkt geweest; het ruikt er naar wijn en er zijn ontelbare vliegen. Sinds lang kenden wij de geringe toeschietelijkheid der bevolking van Calabrië: men is er niet, gelijk in het Italië-van-den-toerist, gewend aan vreemdelingen; een vijandige stemming echter, zooals wij die ditmaal voelden, was ons tot dusver nog niet overkomen.'

Maar gelukkig bracht de citer van Roberto Schiess soelaas. Hij begon te spelen, zonder op te houden.

'Napolitaansche liedjes, stukken van Italiaanse opera's, Zwitsersche jodelwijsjes, Weense walsen, vroolijke marschen. Hoe lang het duurde kan ik niet zeggen; het leek mij heel lang, en ik zie het voor mij, zóó duidelijk alsof het gisteren gebeurde. Het was een ontroerend wonder dat zich voltrok. Toen eindelijk de snaren zwegen en de rappe handen stil werden. keek de citerspeler op. Glimlachend, zeker van zijn macht, en om hem stond een dichte haag van toehoorders die losbarsten in applaus en riepen: Bravo ! bravo ! bis ! bis !... en de handen aaiden dadelijk weer willig over de snaren en volkomen stil werd het weer. Maar nu voor korten tijd: het was maar een toegiftje. Toen de hernieuwde orkaan van toejuichingen verstild was, kwamen de tongen los: Wie zijn jullie? Waar kom je vandaan? Wat kom je hier doen? Waar ga je naar toe? Een stroom van vragen, en uitroepen: het ijs was gebroken. Wij moesten wijn accepteeren, waarvan wij te veel dronken, hetgeen aangenaam was en de goede verstandhouding nog verbeterde. Er werd geklonken op de "forestieri", op de "musica", op Italia, op den Ducce.'

Lees ook het verhaal Van foto tot fantasie, waarin meer voorbeelden staan van foto's en daaruit voortgekomen werk van die reis.

De weg van de meester

In mei 1937 maakte Escher Metamorphose I, een verhalend werk waarin het kuststadje Atrani langzaam verandert in een grid van kubussen die op hun beurt transformeren tot een Aziatisch mannetje. Als Atrani in deze prent voor het verleden staat dan zou je de Aziaat met de hoed als de toekomst kunnen zien. Daarmee wordt de analogie van Eschers leven met dat van een oude martial arts meester interessant.
Escher begon zijn training als jongeman in de buurt van waar hij woonde. Dan vertrekt hij naar een ver land, Italië in dit geval. Daar studeert en oefent hij en werkt hij heel hard om goed te worden in zijn vak. Als hij terugkeert naar zijn geboorteland is hij een meester. Hij kan dingen die niemand anders kan. In het geval van Escher is dat een ultieme beheersing van de grafische technieken. De vechtkunst was een fenomeen dat juist heel ver van hem af stond. Het grote verschil met een martial arts meester is dat die zijn kunde vaak overbracht door een school te stichten waarin hij leerlingen de fijne kneepjes van kung fu, karate, aikido, etc bijbracht. Escher heeft nooit leerlingen gehad.

Meer Escher vandaag

Moederdag 2018

Geen mooiere manier om Moederdag te vieren dan met een foto van een gelukkige moeder. Maurits maakte dit portret van zijn vrouw Jetta en hun eerste zoon George in het voorjaar van 1927. Het paar is net in hun huis aan de Via Alessandro Poerio in Rome getrokken. Op de…...
Lees meer

Bevrijdingsdag met Lucht en Water II

Deze prent van Escher vormt een passende illustratie bij Bevrijdingsdag, de dag waarop we vieren dat de Duitse bezetting in Nederland in 1945 eindelijk voorbij was. Zijn vogels en vissen die zich ontworstelen aan de grip van de vlakvulling zijn een mooie metafoor voor het herwinnen van de vrijheid. Escher…...
Lees meer

Zelfportret in bolspiegel, 1950

Waarschijnlijk is er geen kunstenaar die zichzelf zo vaak afgebeeld heeft als Rembrandt van Rijn. Van hem zijn circa veertig zelfportretten bekend. Maar Escher had er ook een handje van. Tussen 1917 en 1950 maakte hij er twaalf, waarvan meerdere waarin hij zichzelf in een bolspiegel vastlegde. In de spiegel…...
Lees meer