Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Terug

Eerste houtgravure

Na hun vakantie bij de Schiblers in Steckborn reist het gezin Escher eind juni 1931 door naar Nederland. Jetta en de kinderen zouden er tot 1 en Maurits tot 18 september blijven. In deze drieënhalve maand werkte Escher aan zijn techniek en breidde die ook uit. Zo bracht hij een bezoek aan graficus, schilder en tekenaar Fokko Mees. Die leerde hem de mogelijkheden van het bewerken van kopshout met een burijn, de techniek dus van het houtgraveren. Escher kocht een graveerburijn met een loep om dit zeer fijne werk te kunnen maken. Deze zogenaamde ‘dradenteller’ was een opvouwbaar apparaatje dat in de textielindustrie werd gebruikt. Een kleine sterke lens wordt door een vlak voetje op vaste afstand boven de stof gehouden. Door de opening in het voetvlak kon het aantal draden geteld worden dat zichbaar was in dat kleine vlak.*

Het eerste resultaat was een uitnodigingskaart voor zijn tentoonstelling bij kunsthandel Liernur in Den Haag. Hij gebruikte de Leeuw van Sint Marcus op het piazza in Ravello als motief. Hij was zelf meerdere keren bij die leeuw geweest en hij zou hem later nogmaals vastleggen, in een litho. Het Vaderland schreef erover:

‘Een kundig gesneden leeuwtje, van archaïsche allures, nodigt ons uit deze expositie te gaan zien; en wie aan deze uitnodiging gehoor geeft, zal zich in zijn verwachting niet teleurgesteld voelen.’

De volledige tekst uit het artikel van Jos de Gruyter geeft een goed beeld van hoe een kunstcriticus destijds naar Escher keek.

Het Vaderland. 8 oktober 1931

Een aardige tentoonstellingskaart, met een kundig gesneden leeuwtje van archaïsche allures, noodigt ons uit deze expositie te gaan zien; en wie aan de uitnoodiging gehoor geeft, zal zich in zijn verwachtingen niet teleurgesteld voelen. Het is terdege mogelijk de eenzijdigheid en de begrensdheid van dezen zoo doorwerkten, weloverwogen arbeid te zien, maar het lijkt mij onmogelijk, de zeldzame kunde en de eigenaardige fantasierijkheid er van voorbij te gaan.
Deze fantasierijkheid maakt Eschers bijzondere kracht uit. Wat echter het eerst opvalt, is misschien wel zijn kunde. Hij verstaat het te zeggen wat hij zeggen wil. Hij beheerscht volkomen zijn taal, of liever, zijn verschillende graphische talen. Het is duidelijk, dat hij zich dan ook geen enkele moeite bespaarde deze grondig te leeren! Hij bezit in dit opzicht een eindeloos en verbeten geduld, dat menigeen in onze dagen tot voorbeeld kan strekken.
Dit wel eens te nadrukkelijk vervuld zijn van métierkwesties zou inmiddels fataal zijn geweest, indien Eschers verbeeldingsdrift niet telkens weer dezekunde had opgeheven of dieperen zin had gegeven. Ook zijn verbeeldingsleven vertoont duidelijke grenzen, en blijft vaak te intellectueel geaccentueerd, maar in zijn soort lijkt mij Eschers fantasie heel zuiver en volkomen overtuigend. Het ligt voor de hand, dat Eschers dubbele gevaar van intellectualiteit en virtuositeit in enkele zijner houtsneden het sterkst tot uitdrukking kwam. De houtsnede toch zal een neiging tot formeele knapheid en tot het mechanisch abstracte, het eenigszins cerebrale of litteraire, veel sterker in de hand werken dan de litho-techniek of de verschillende teekentechniekén. Daarom vooral kan het verheugen, dat Escher de laatste paar jaar in hoofdzaak gelithografeerd heeft. De schoonste werken op de tentoonstelling lijken mij enkele zijner vroegege teekeningen én enkele zijner laatste litho’s, al wil ik daarmee niet zeggen, dat er onder de houtsneden niet verschillende heel verdienstelijke te vinden zijn. Van de teekeningen zou ik vooral nummer 2 en nummer 12 willen noemen. Beide getuigen van een persoonlijke visie. De ‘eerste’ een landschap met de stad Siena op den achtergrond, is opmerkelijk fijn., kantig en rhythmisch voorgedragen, nergens losgelaten, overal doorvoeld. De innerlijke, ik zou willen zeggen de muzikale bewogenheid, voorkomt de mogelijkheid eener verstarring in den zoo streng bepalenden nauwkeurig ontledenden teekentrant. Een zoo gevoelige, tegelijk eigenzinnige en doorwrochte teekening ziet men niet elken dag. Op no. 12, Calanche di Piana op Corsica, boeit vooral het grillig, toch geordend en organisch begrepen voorplan van omhoog gestuwde rotsblokken; deze vreemde massa van een in verscheidenste vormen zich opstapelend, vulkanisch aandoend gesteente. Het fond met de wegschuivende heuvels, de zee en een gegradeerde lucht, is, jammer genoeg, niet zoo bezield en overtuigend gedaan; het gevaar van een te gemaniëreerde werkwijze komt hierin terloops om den hoek kijken.
Eschers tekorten ziet men m.i. het sterkst in de houtsnede no. 30, Citadel van Calvi; stellig knap, maar te decoratief, te uiterlijk, op het tooncelmatige al, en daarbij eenigszins bevroren, evenals no. 28, La Cathédrale engloutie. Waar dit laatste evenwel geheel droombeeld is, hindert het koude en gestolde der vormen ons er niet zoo sterk in. Hard zijn deze sneden stellig, maar men vergete niet, dat hardheid altijd verkieslijk is boven een valsche gevoeligheid. In hun te uiterlijke hardheid zijn ze volstrekt eerlijk en vakkundig verantwoord.
Er zijn echter heel wat betere houtsneden. Ik vestig de aandacht vooral op no. 24. Vitorchiano, en van de kleinere in het bijzonder op het fascineerend blad no. 35, St. Vincent en de Wonderraaf, waarvoor de teekening no. 6, Atrani, klaarblijkelijk als voorstudie diende voor het fond. Het geheimzinnige, bijna hypnotische in den bovennatuurlijken vogel is uitstekend gesuggereerd. Aardig zijn ook verschillende emblemata, houtsneden-illustraties bij spreukverzen van A. E. Drijfhout, ietwat materieel, oud-Duitsch opgevat; men zie bijv. het blad met den Vlieger of dat met de Windvaan. Stellig getuigen de litho’s en de verwante zoogenaamde krabteekeningen over het geheel van een grootere gevoeligheid. De litho’s no. 39, Stilo, colla Fiumara, no. 44 Klooster bij Rocca, Imperiale en no. 47, La Cattolica di Stilo in Calabrië, zou ik tot het gaafste en volkomenste willen rekenen van wat Escher tot dusverre presteerde. Het eigenaardige Pettorano sul Gizio (no. 50, boven den schoorsteenmantel) is evenwel boeiender én opzienbarender. De sfeer van het landschap, dat een maanlandschap gelijkt, is beklemmend. Men vraagt zich onwillekeurig af, wat voor wezens wel zouden kunnen wonen in die regelmatig opblokkende, cubische bouwsels op den voorgrond. Zeker geen menschen, want elk spoor van het levende, het huiselijke of warmbloedige ontbreekt. Het zullen steile, ongenaakbare wezens zijn, die zich in deze bijna mathematisch geconstrueerde, vierkante vestinkjes terugtrokken, om er een ascetisch, abstract leven te leiden. De teekening verdient veel lof; vooral het achterplan, met vallei, bergen en hemel is mooi, zuiver en strak gedaan. Het kan herinneringen oproepen aan niemand minder dan Hercules Seghers. Toch is er dit onderscheid, dat het harder, algestorvener, iets bevrorener aandoet dan een ets van Seghers. Een kwestie meer van geestesgesteldheid, dan van techniek. Ge kunt het zóó zeggen, dat Seghers bovenaardsch terwijl Escher onaardsch is. Aan rijkdom van menschelijke levenservaringen, aan innigheid en innerlijkheid heelt het werk nog veel te winnen. Waar Eschers groei zoo zuiver schijnt, kan men echter nog heel wat in de toekomst van hem verwachten.
Ook no. 52, Castrovalva in de Abruzzen (de wolken storen hierin m.i.) en de krabteekening Alfedene, no. 21, vertoonen zeer bijzondere kwaliteiten.
De tentoonstelling blijft tot het einde der maand geopend.

W. Jos. de Gruyter

De Maasbode opent met het mannetje dat vervaarlijk langs de afgrond van de verstarring en het cliché leidt. Maar de auteur heeft daarna niets dan lof voor de graficus. Hij sluit af met de mooie woorden: ‘Als er in de toekomst over moderne Nederlandsche grafiek wordt gesproken, mag de naam van Escher niet worden vergeten.’

FANTASIE EN BEZINNING

De Maasbode, 16 oktober 1931

Er is van M. C. Escher een kleine houtsnede van tien jaar geleden, uit den tijd dus dat hij zich nog pas kort geheel aan zijn graphischen arbeid had gewijd, waarop een mannetje over een smal bergpad langs een afgrond loopt, met een lantaarn in de hand. ‘Een levensweg’ heet deze houtsnede, die misschien als illustratie wel heeft voldaan, maar als zelfstandig kunstwerk niet veel te beteekenen heeft, omdat een ietwat goedkoop effect niet werd versmaad.
Maar de voorstelling lijkt met betrekking tot Escher zelf een zekere symbolische waarde gekregen te hebben. Hij gaat inderdaad langs een afgrond. Zijn overgroote bezinning, zijn strenge concentratie, zijn naar het mathematische geneigde vormbewustzijn, zij brengen het gevaar mee van verstarring in een snel tot een cliché herleid product. Maar er is een licht, dat hem uit deze impasse houden zal: zijn rijke en waaksche fantasie, die hem nimmer begeeft.
Waarlijk, dit is een fraaie tentoonstelling! Zij brengt een compleet en gevarieerd oeuvre, dat een karakteristieke eenheid vormt en dat zich bijna zonder inzinkingen op een behoorlijk plan handhaaft. Alles is even goed verzorgd bij dit optreden naar buiten, tot de keurige invitatie-kaart voor deze tentoonstelling toe.
M. C. Escher is graphisch kunstenaar. Hij maakt steenteekeningen en houtsneden, kennelijk met een groote liefde voor het métier, dat hij als weinigen beheerscht. Hij is een virtuoos in het vullen van een gegeven vlak. Hij beoefent zijn kunst als een bezonnen spel, waarvan hij de kansen met rustige aandacht benut.
Zijn werk is in twee groote groepen te verdeelen. In het eene deel, voornamelijk houtsneden, spreekt zich de rijke en oorspronkelijke fantasie van den kunstenaar uit. Het zijn de voorstellingen ontleend aan het bijbelverhaal van de scheppingsdagen, aan heiligenlegenden en oude sagen. Hierin blijkt Escher’s bijzondere vermogen om ons in te leiden in de sfeer van den droom en van het wonder, in een vreemde en geheimzinnige wereld waar ongedachte dingen toch „werkelijk” gebeuren. En hij bereikt dit niet door allerlei vaagheden. Integendeel, hij bedient zich van een duidelijken exacten stijl. Maar door zijn bijzondere visie, zijn origineele vondsten, zijn broze en toch doordringende voorstelling gaat er van zijn werk een groote suggestie uit.
Heel mooi is b.v. de houtsnede van St. Vincentius met de raaf. Van dezen martelaar wordt verteld, dat hij onder de pijnigingen die de landvoogd Dacianus hem had aangedaan, bezweek, terwijl zijn beul nog niet tevreden was en hem nog erger kwellingen had toegedacht. De landvoogd liet zijn lijk buiten de stad ergens neerwerpen in de hoop, dat wilde
dieren het verscheuren zouden. Maar een groote raaf verscheen en hield de roofvogels en wolven verre van het lijk van den martelaar. Hiervan heeft Escher een fijnzinnige en eerbiedige voorstelling gesneden, waarin alles reëele en kenbare vormen heeft en toch de aanwezigheid van een onzichtbare Macht zeer voelbaar is uitgedrukt. Het lichaam van den Heilige en de figuur van den vogel hebben net genoeg vorm gekregen voor hun onaardsche spel en rondom is er de nachtelijke wereld van menschen en dingen, waartoe deze twee niet wezenlijk meer behooren.
Met dezen zin voor het fantastische en visioenaire is Escher naar onbekende streken van Italië getrokken en hij heeft er kleine bergstadjes en vergeten oude heiligdommen geteekend om er de motieven aan te ontleenen voor zijn grafisch werk. In deze houtsneden en litho’s van berglandschappen in de Abruzzen en in Calabrië, overheerscht het constructieve element. Iedere prent is een bouwsel van een weloverwogen en zorgvuldige samenstelling, de toevalligheden van de natuur en de geschiedenis zijn in een schijnbare wetmatigheid gevat. Maar voor verdorring is er geen gevaar. Want diezelfde vruchtbare verbeelding is ook over dit werk gegaan en heeft er het bijzondere karakter aan gegeven. We lezen de namen wel van steden en dorpen, kapellen en kloosters, maar ze zijn uit een andere en onbekende wereld. De gestyleerde voorstelling heeft ze hun bestaan in den tijd ontnomen, meestal zijn ze verlaten van levende wezens, mensch of dier, en aldus zijn ze stil en eenzaam in de ruimte gezet, met rondom de glooiingen van zwijgende bergen en hoog in de lucht de bolle vormen van
fantastische wolkgevaarten.
Zoo leiden bij Escher de stadjes en de monumenten hun eenzelvig leven in een grootsch heelal. Het is een stoere en verhevene, tegelijk intieme en teedere schoonheid die hij ons openbaart in deze fijne en fluweelige steenteekeningen, die zoo krachtig en bezield tot hun volstrekte compleetheid zijn gevoerd.
Als er in de toekomst over moderne Nederlandsche grafiek wordt gesproken, mag de naam van Escher niet worden vergeten.
JAN N

Bronvermelding
[*] Wim Hazeu, M.C. Escher, Een biografie, Meulenhoff, 1998, blz. 147-148

Meer Escher vandaag