Deze website gebruikt cookies

Wij maken op deze website gebruik van cookies en vergelijkbare technieken om bezoek te analyseren en om je relevante boodschappen te tonen op social media. Door op 'Alles accepteren' te klikken geef je toestemming voor de plaatsing ervan en het verwerken van op deze wijze verkregen persoonsgegevens, zoals in ons privacy- & cookiestatement wordt vermeld.

Onze privacy- & cookiestatement:

Bedrieg het oog
31 januari 2026

Bedrieg het oog

Wereldwijd is er altijd veel belangstelling geweest voor het werk van M.C. Escher. In artikelen over hem en zijn kunst wordt vaak gesproken over ‘optische illusies’. Zijn werk wordt bijna automatisch met dit begrip verbonden. Dat is goed te begrijpen, al is de relatie tussen Eschers werk en optische illusies wel anders dan hoe optische illusies meestal worden uitgelegd.

Een optische illusie is een beeld dat onze ogen waarnemen maar dat door onze hersenen onjuist geïnterpreteerd wordt. De menselijke perceptie is vatbaar voor deze visuele misleidingen. Die vatbaarheid is iets waar kunstenaars al eeuwen op in spelen en Escher is daar bij uitstek een voorbeeld van. De aantrekkingskracht van veel van zijn prenten ligt in het feit dat ze dingen suggereren die niet bestaan. Het zijn illusies die volkomen beredeneerd zijn en passen binnen zijn thema’s. Om die illusie voor elkaar te krijgen, gebruikt Escher geldende wetten uit de natuur. Mensen interpreteren de wereld om hen heen door hun zintuigen en hun hersenen te gebruiken. Met name de combinatie van ogen en brein is bepalend. Het netvlies, waardoor die wereld naar binnen komt, is het venster. Voor de ogen maakt het bijvoorbeeld niet uit of die naar een echte kubus kijken of naar een tekening van een kubus. 

De ruimtelijke ervaring van die kubus ontstaat pas als het brein dat platte beeld omzet naar een driedimensionale vorm. 2D wordt 3D. Dit omzetten van plat naar ruimtelijk is iets dat Escher altijd gefascineerd heeft en dat hij steeds opnieuw gebruikte in zijn prenten. Hij realiseerde zich terdege dat dit omzetten automatisch gebeurt en dat je er als kijker niet mee kan stoppen. 

<p>M.C. Escher, Man met kuboïde, houtgravure, 1958</p>

M.C. Escher, Man met kuboïde, houtgravure, 1958

<p>René Magritte, La trahison des images, 1929. Olieverf op doek. Collectie: Los Angeles County Museum of Art, Museum Associates/LACMA, Licensed by Art Resource, NY<br>&nbsp;</p>

René Magritte, La trahison des images, 1929. Olieverf op doek. Collectie: Los Angeles County Museum of Art, Museum Associates/LACMA, Licensed by Art Resource, NY
 

Door deze geautomatiseerde samenwerking tussen brein en oog is er een enorm schemergebied ontstaan tussen werkelijkheid en illusie. Je kunt immers stellen dat elke afbeelding naar de werkelijkheid, een portret of een landschap bijvoorbeeld, een illusie is. Dat geldt zelfs, of juist, voor werken uit het hyperrealisme dat eind jaren 60 van de vorige eeuw ontstond met afbeeldingen die levensecht lijken maar het niet zijn. Het is niet die persoon, het is een tweedimensionale weergave die deze persoon zo goed mogelijk tot leven tracht te wekken. René Magritte (1898 - 1967) maakte met La trahison des images een letterlijke verwijzing naar deze illusie. Hij schildert een pijp met het onderschrift 'Ceci n'est pas une pipe' en hamert de boodschap erin: dit is geen echte pijp, maar een afbeelding van een pijp. Er is dus wel degelijk een verschil waar te nemen in de weergave van die werkelijkheid en de intenties van de kunstenaar. Het wordt pas een optische illusie als het de intentie van de maker is om het publiek te misleiden. 

Werkelijkheid versus onwerkelijkheid

Het vroegste voorbeeld in de kunst van deze intentie is het trompe-l’oeil ("bedrieg het oog’’). Het doel ervan is dus om de toeschouwer te laten geloven in wat hij ziet, terwijl het niet klopt wat hij ziet. Al in de klassieke oudheid werd deze vorm van gezichtsbedrog hoog aangeslagen, het is immers een bewijs van het talent van de maker als hij een perfecte illusie weet te creëren. Het vergt een uitermate goede beheersing van de technieken, zoals toepassing van perspectief en schaduwwerking, detaillering en materiaalweergave. De Griekse kunstenaar Zeuxis zou al vijf eeuwen voor Christus in staat zijn geweest om dusdanig echte druiven te schilderen dat vogels ze probeerden op te eten*. In de Italiaanse Renaissance maakte het trompe-l’oeil een comeback in de vorm van plafond- en muurschilderingen waarin de buitenwereld naar binnen lijkt te dringen, met wolken en naar binnen kijkende engelen. 

<p>Andrea Pozzo, trompe-l’oeil plafond in de Sant'Ignazio kerk in Rome, 1865. Foto: Fiat 500e, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons</p>

Andrea Pozzo, trompe-l’oeil plafond in de Sant'Ignazio kerk in Rome, 1865. Foto: Fiat 500e, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons

<p>Cornelis Gijsbrechts, Rugzijde van een schilderij, olieverf op doek, 1670. Collectie: Statens Museum for Kunst, Kopenhagen</p>

Cornelis Gijsbrechts, Rugzijde van een schilderij, olieverf op doek, 1670. Collectie: Statens Museum for Kunst, Kopenhagen

Ook in Nederland hielden kunstenaars als Rembrandt van Rijn (1606–1669) en zijn leerling Samuel van Hoogstraten (1627–1678) zich bezig met trompe-l’oeils. Voor Rembrandt vormden deze werken vooral een middel om zijn vakmanschap te tonen, terwijl Van Hoogstraten zich juist in dit genre specialiseerde. Een andere tijdgenoot, Cornelius Gijsbrechts (1630–1684), schilderde met Rugzijde van een schilderij een trompe-l’oeil dat vanwege het onderwerp vaak wordt beschouwd als een zeer vroeg voorbeeld van conceptuele kunst. Tijdens de Barok bleef deze kunstvorm populair, onder meer in de vorm van beschilderde kerkplafonds die de illusie wekken zich naar de hemel te openen. Internationaal bekende kunstenaars op dit terrein waren Giovanni Battista Gaulli (1639–1709) en Andrea Pozzo (1642–1709). In Nederland legden Gerard de Lairesse (1640–1711) en Jacob de Wit (1695–1754) zich hierop toe. Een subgenre binnen de trompe-l’oeil is de grisaille: in grijstonen geschilderde reliëfs die bijzonder realistisch ogen. De Wit vervaardigde dergelijke werken ook in wit, waardoor zij bekendstaan als ‘witjes’.

<p>Jacob de Wit, Zomer, olieverf op doek, 1751. Collectie Staatliche Museen, Schloss Wilhelmshöhe, Kassel</p>

Jacob de Wit, Zomer, olieverf op doek, 1751. Collectie Staatliche Museen, Schloss Wilhelmshöhe, Kassel

<p>Hans Holbein, De Ambassadeurs, olieverf op paneel, 1533. Collectie National Gallery, Londen<br>&nbsp;</p>

Hans Holbein, De Ambassadeurs, olieverf op paneel, 1533. Collectie National Gallery, Londen
 

Verwant aan trompe-l’oeil is de anamorphose, waarin een beeld sterk wordt vervormd en alleen herkend kan worden vanuit een specifiek kijkpunt of via een spiegel. Deze spiegels zijn vaak cilindervormig, maar soms zijn ze ook in de vorm van een conus of piramide. Leonardo da Vinci (1452 - 1519) was de eerste die ermee experimenteerde en in de Renaissance werd de techniek verder geperfectioneerd. ** Anamorphoses waren populair omdat een maker er een boodschap in kon verbergen die pas met wat moeite zichtbaar gemaakt kan worden. Een hoogtepunt in het genre is De ambassadeurs van Hans Holbein (1497/1498 - 1543), waarop vanuit een bepaalde hoek een schedel te herkennen is. Escher zag het werk toen hij in juli 1957 een bezoek bracht aan de National Gallery en was erg onder de indruk. ***

Een belangrijke techniek voor het creëren van een illusie is het perspectief. Daarin wordt veelvuldig een beroep gedaan op de geautomatiseerde samenwerking tussen brein en oog. Het simpelste voorbeeld van deze automatisering zijn twee lijnen die zich van onder naar boven naar elkaar toe bewegen, met bovenaan een horizontale lijn. Deze worden vanzelf geïnterpreteerd als een weg, een spoorlijn of een sloot die richting de horizon gaat. De eerste aanzetten tot perspectief stammen al uit de Griekse tijd, maar de onderbouwing ervan kwam pas met een serie experimenten die Filippo Brunelleschi (1377 - 1446) uitvoerde rond 1425. Het eerste boek hierover werd in 1435 geschreven door Leon Battista Alberti (1404 - 1472). Leonardo da Vinci en Andrea Mantegna (1431 - 1506) wisten het perspectief in die tijd verder te perfectioneren. 

<p>M.C. Escher, Boven en onder, litho, juli 1947</p>

M.C. Escher, Boven en onder, litho, juli 1947

Maar hoewel deze kunstenaars er zich van bewust waren dat het perspectief in feite een truc is, stond de inzet ervan in dienst van een duidelijk doel: het zo realistisch mogelijk weergeven van de werkelijkheid op een plat vlak. Ook voor Escher was het automatisme waarmee het perspectief wordt geïnterpreteerd een belangrijke bron voor de thema’s in zijn werk, om iets dat niet bestaat echt te laten lijken. In Relativiteit gebruikt hij de conditionering van de kijker door meerdere perspectieven in één prent te verenigen. Een variant gebruikt hij in Boven en onder waarin hij gebogen perspectieflijnen introduceert waarmee hij het kikvors- en vogelperspectief combineert.

<p>William Hogarth, Satire on False Perspective, gravure, 1754. Collectie Metropolitan Museum New York<br>De tekst onder het beeld:<br>Whoever makes a DESIGN without the Knowledge of PERSPECTIVE will be liable to such Absurdities as are shewn in this Frontiſpiece [frontispiece].</p>

William Hogarth, Satire on False Perspective, gravure, 1754. Collectie Metropolitan Museum New York
De tekst onder het beeld:
Whoever makes a DESIGN without the Knowledge of PERSPECTIVE will be liable to such Absurdities as are shewn in this Frontiſpiece [frontispiece].

<p>Salvador Dali, L'homme invisible (The Invisible Man), olieverf op doek, 1929-1932. Collectie Museo Reina Sofia, Madrid</p>

Salvador Dali, L'homme invisible (The Invisible Man), olieverf op doek, 1929-1932. Collectie Museo Reina Sofia, Madrid

Dat het perspectief ook gebruikt kan worden om de kijker te misleiden, illustreert William Hogarth met zijn Satire on False Perspective (1754), een prent vol perspectivische fouten. De Britse kunstenaar wijst hiermee op het belang van goed kijken en het begrijpen van de regels van het perspectief. In diezelfde periode werkt Giovanni Battista Piranesi (1720 - 1778) aan zijn Carceri d’ Invenzione, een serie prenten met duizelingwekkende ruimtes en een oneindig aantal trappen, ladders, bruggen, poorten en galerijen. Perspectivisch gebeurt hier zoveel dat het voor een kijker vrijwel niet is te bepalen of die ruimtes echt zouden kunnen bestaan.

Er waren wel kunstenaars die optische illusies in hun werk gebruikten maar pas bij René Magritte, Salvador Dalí (1904 - 1989) en andere surrealisten keerde de optische illusie weer echt in het artistieke domein terug. Tweeledige interpretaties van beelden was een centraal element in het Surrealisme. Dalí was echt gefascineerd door optische trucs en illusies. Hij paste ze toe om meerdere lagen van betekenis en perceptie in zijn schilderijen te verwerken. Een bekend voorbeeld is De Volharding der Herinnering (1931), waarin smeltende klokken een vervormde tijdservaring suggereren. Dalí experimenteerde ook met dubbelbeelden, waarbij een schilderij tegelijkertijd twee verschillende voorstellingen kan oproepen, zoals in De Onzichtbare Man (1939 - 1932) en Swans Reflecting Elephants (1937). Hij werkte samen met wetenschappers om stereoscopische en holografische technieken in zijn kunst te integreren, waarmee hij optische illusies naar nieuwe hoogten bracht. Ook maakte hij anamorphoses, een techniek die hij zo goed leerde beheersen dat hij het beeld dat ontstond in de spiegel een totaal andere betekenis kon geven dan het platte origineel. Om dat voor elkaar te krijgen, keek hij in de cilindrische spiegel terwijl hij schilderde op het platte vlak. Aan het einde van zijn carrière ging hij nog een stap verder door dubbele schilderijen te maken die naast elkaar gehangen moeten worden en die de kijker optisch tot een enkel beeld moest samenvoegen. Liefst met behulp van spiegels of een speciale kijker. ****

<p>René Magritte, De blanco volmacht (Le blanc-seing), olieverf op doek, 1965. Collectie National Gallery of Art, Washington DC</p>

René Magritte, De blanco volmacht (Le blanc-seing), olieverf op doek, 1965. Collectie National Gallery of Art, Washington DC

<p>Gerhard Richter, Umgeschlagenes Blatt, olieverf op doek, 1965. Collectie Museum Kurhaus Kleve&nbsp;</p>

Gerhard Richter, Umgeschlagenes Blatt, olieverf op doek, 1965. Collectie Museum Kurhaus Kleve 

René Magritte gebruikte optische illusies om te tornen aan de realiteit en het bestaan ervan in twijfel te trekken. Zijn schilderijen tonen alledaagse objecten in onverwachte contexten, waardoor ze oproepen tot filosofische interpretaties. In het al genoemde La trahison des images maakt hij het verschil tussen beeld en werkelijkheid expliciet. In andere werken, zoals Le Blanc-Seing (1965), speelt hij met perceptuele tegenstrijdigheden en laat hij delen van een object op mysterieuze wijze verdwijnen of samensmelten met de achtergrond. Magritte dwingt zijn publiek om echt te kijken en dat wat hij ziet te herinterpreteren. 

Gerhard Richter maakte in 1965 en 1966 een serie schilderijen die allemaal Umgeschlagenes Blatt heten. Trompe-l’oeils die zo subtiel zijn dat de illusie ook weer direct doorbroken wordt. Andere kunstenaars uit de 20e eeuw die zich bezighouden met het voor de gek houden van oog en brein zijn Oscar Reutersvärd (1915 - 2002), István Orosz (1951) en Victor Vasarely (1906 - 1997). De eerste twee deden dat vooral met onmogelijke figuren en de laatste met op-art, werk dat lijkt te bewegen door het ingenieus toepassen van lijnen en kleuren. Bij deze kunstenaars stond de illusie zelf centraal, waarbij Escher ze altijd verstopte zodat de ervaring van de illusie als het ware werd uitgesteld. Denk bijvoorbeeld aan Belvédère en Waterval, waar pas bij een tweede keer kijken duidelijk wordt dat het helemaal niet kan wat je voor je ziet. 

Zo zijn er in de kunstgeschiedenis meer kunstenaars geweest die elk op hun eigen manier optische illusies hebben benut om het bewustzijn uit te dagen en nieuwe artistieke mogelijkheden te verkennen. Ze demonstreren dat kunst niet alleen iets is om te zien, maar ook om te ervaren. Van M.C. Escher wordt wel gezegd dat hij een eenmans kunstbeweging is, maar in het geval van optische illusies is dat zeker niet het geval. Al blijft de manier waarop hij ze toepast echt uniek. 

<p>Victor Vasarely, Vega-Nor, olieverf op doek, 1969. Collectie Buffalo AKG Art Museum</p>

Victor Vasarely, Vega-Nor, olieverf op doek, 1969. Collectie Buffalo AKG Art Museum

<p>M.C. Escher, Balkon, litho, juli 1945</p>

M.C. Escher, Balkon, litho, juli 1945

Bron

[* ] The Metropolitan Museum of Art, Still Life with Grapes and a Bird: A Remembrance of Things Past
[**] Wikipedia, Science and inventions of Leonardo da Vinci
[***] Wim Hazeu, M.C. Escher, Een biografie, Meulenhoff, 1998, blz. 378
[****] Fundació Gala-Salvador Dalí, Salvador Dalí and science. Beyond a mere curiosity

Erik Kersten

Erik Kersten

Marketing en communicatie

Deel:

Meer Escher vandaag

Een tegeltableau voor én door Escher

22 november 2025

Een tegeltableau voor én door Escher

Recentelijk hebben Escher in Het Paleis en Kunstmuseum Den Haag de collectie kunnen verrijken met een persoonlijk werk van M.C. Escher: het tegeltableau Vissen en vogels uit 1960 dat jarenlang bij Escher in zijn atelier heeft gehangen.  

M.C. Escher's Word-Puzzle Wrapping Paper for De Bijenkorf

18 oktober 2025

M.C. Escher's Word-Puzzle Wrapping Paper for De Bijenkorf

Doris Schattschneider, Escher-expert en gepensioneerd hoogleraar wiskunde, was gastspreker op de jaarlijkse wiskundeconferentie genaamd Bridges. Dit jaar vond de conferentie in juli plaats in Eindhoven. Ze presenteerde daar haar onderzoek naar Eschers ontwerp voor inpakpapier voor warenhuis De Bijenkorf, waarvoor Escher teruggreep op zijn hobby van wat hij ‘woordpuzzels’ noemde. Het onderzoek van Schattschneider is in het Engels beschikbaar op onze website.