Tickets bestellen
Adres
Lange Voorhout 74
2514 EH Den Haag
T: 070-4277730
E: info@escherinhetpaleis.nl
Terug

Het knippermoment van Waterval

“Het verschrikkelijke knippermoment.” Dat is de duiding die oud-conservator Micky Piller, tijdens een uitzending van VPRO-radioprogramma OVT (zie onderaan), gaf aan het moment dat een beschouwer Eschers litho Waterval voor de tweede keer bekijkt. Water dat stroomt en van een verhoging naar beneden valt. Die waarneming is bij een eerste keer kijken zo gedaan. Maar bij de tweede keer kijken komt dat moment. Het moment waarop de hersenen eventjes kortsluiting maken en niet kunnen volgen wat er voor de ogen gebeurt. Het water stroomt omhoog. Het water stroomt omhoog? Waterval is hét werk waarmee Escher zijn kijkers het meest direct voor de gek houdt.

Escher heeft een aantal wereldberoemde prenten die je met een gerust hart iconisch zou kunnen noemen. Denk aan Dag en nacht (1938), Metamorphose II (1939-1940) en Metamorphose III (1967-1968), Reptielen (1943), Tekenen (1948), Relativiteit (1953), Belvédère (1958) en Klimmen en dalen (1960). Maar deze litho uit oktober 1961 is wellicht het meest beroemd van allemaal. Waarschijnlijk omdat juist deze prent direct na die eerste keer kijken heel hard binnenkomt. Bij allerlei soorten mensen, van jong tot oud en van geharde kunstliefhebbers tot de argeloze beschouwer die weinig met kunst heeft.

Eschers eigen combinatie van drie Penrose-driebalken
Vroege schetsen waarin Escher puzzelt met de driebalken van Penrose en de onmogelijke kubus die hij eerder voor Belvédère had gebruikt

Zonder slag of stoot ging het maakproces van Waterval overigens niet. Escher heeft veel gepuzzeld op de compositie. Hij kwam op het idee voor de afbeelding via de wiskundige Roger Penrose en diens vader Lionel Penrose. Die toonden in een artikel in The British Journal of Psychology (volume 49, februari 1958) een ‘onmogelijke driebalk’. Een vorm die op papier kan bestaan, maar niet in het echt. De drie rechte hoeken zijn normaal, maar ze zijn op verkeerde en onmogelijke wijze met elkaar verbonden tot een soort driehoek. De vorm was eerder bedacht door de Zweedse graficus Oscar Reutersvärd (1915-2002), al waren de Penroses zich daar niet van bewust.

De driebalk hadden ze op hun beurt bedacht nadat Roger Penrose in 1954 Eschers eenmanstentoonstelling in het Stedelijk Museum had bezocht, die gehouden werd naar aanleiding van het Internationaal Mathematisch Congres dat jaar. Door de Penrose-driehoek te gebruiken als basis voor de watermolen in Waterval sloot Escher de cirkel. Dat had hij in 1960 overigens ook al gedaan door de ‘onmogelijke trap’ van vader en zoon Penrose, ook geïnspireerd door de Eschertentoonstelling, te gebruiken voor zijn litho Klimmen en dalen.

In een brief aan de Amerikaanse verzamelaar Cornelius van Schaak Roosevelt (1915-1991), kleinzoon van de voormalige president Theodore Roosevelt, schetste Escher deze driebalk. In de brief, gedateerd op 30 november 1961, schreef hij:

“Waterval, die helemaal nieuw is, is gebaseerd op een idee van deze twee Penroses. Het is weer een van hun “spannende objecten”, die ik hieronder voor u heb gekopieerd. Gepubliceerd in het British Journal of Psychology, februari 1958. De titel van het artikel: “Impossible objects: a special type of visual illusion” door L.S. Penrose en R. Penrose. Ze noemen mijn naam ook in dit artikel.”*

Voorstudies voor de gebouwcomplexen in Waterval. Tekening 6
Tekening 7
Tekening 8
Tekening 9

Hij combineerde drie van deze ‘driebalken’ (zie tekening 2) en begon te schetsen om er een gebouw van te maken. Aanvankelijk nog zonder water. Maar na een aantal schetsen realiseerde Escher zich dat er iets ontbrak, iets dat de absurditeit van dit gebouw nog beter kon illustreren. Toen kwam het idee van het stromende water. Water zoekt altijd het laagste punt op, een basisfeit dat iedereen zo vast in het hoofd heeft dat daar geen ruimte voor twijfel is. Maar door dit water over een constructie als deze te laten lopen, lukt het Escher om het diepste en meest verafgelegen punt tegelijk ook het hoogste en dichtstbijzijnde te laten zijn. Het water valt weer naar beneden en de stroom begint weer opnieuw. Een perpetuum mobile.
Tekening 10
Tekening 11

Als Escher erover uit is dat er water door de constructie moet stromen, is hij er nog niet. Hij puzzelt verder aan de vorm van het gebouw. Het water valt van boven naar beneden, dus hij voegt een bassin toe waarin het kan vallen en weer verder stromen. Hij beseft dat het gebouw verdiepingen nodig heeft om een hoogste punt te kunnen hebben, maar hij zoekt nog naar de manier waarop hij die niveaus aan kan brengen. De oplossingen in schetsen 10 en 11 voldoen nog niet, maar met schets 12 maakt hij ineens een sprong.
Tekening 12
Tekening 12, gespiegeld. Door de spiegeling zijn de overeenkomsten en verschillen met het eindresultaat beter te zien.

Deze tekening bevat al de bakstenen-watergeul en de pilaarconstructies die op elke hoek van de dubbele driebalk staan. Hij handhaaft echter nog het waterbassin en er is nog een belangrijk verschil, los van de aankleding van de constructie met omringende gebouwen, personen en de achtergrond: in deze schets valt het water van de kijker af. In de eindversie van Waterval laat hij het water een extra hoek maken waardoor het naar de kijker toevalt. Dat versterkt het perpetuum mobile-effect, omdat de kringloop nog duidelijker wordt.
Tekening 13
Tekening 14

In tekening 13, die door de trapconstructie doet denken aan Klimmen en dalen, werkt hij uit hoe de ‘loop’ er precies uit ziet zodat het water valt en weer opnieuw kan beginnen. In tekening 14 schetst hij voor het eerst een beter werkende oplossing dan het waterbassin: een waterrad. In tekening 15 gaat hij daar op door en die tekening bevat in feite al de eindconstructie zoals die te zien is in de uiteindelijke litho. Het voorstadium van dat eindresultaat is het doordrukpapier dat Escher gebruikte om de tekening op de steen te zetten.
Tekening 15
M.C. Escher, mossen (studie behorend bij Waterval), inkt op papier, september 1942

Maar zelfs hierin is er nog steeds een verschil met de uiteindelijke prent: er staan twee mannen in, terwijl er in de prent op die plek nog maar één man omhoog kijkt naar de watermolen. Volgens Escher zelf was dat de molenaar die naar zijn watermolen kijkt en maar af toe in actie moest komen om het water dat is verdampt aan te vullen met een paar emmers water. Op de torens plaatst hij twee veelvlakken, overigens zonder dat die betekenis hebben. Hij zei erover:

‘Ik heb ze erop gezet omdat ik ze gewoon zo mooi vind: links drie elkaar doorsnijdende kubussen en rechts drie octaëders.’

Als laatste is er nog een losse tekening van de opvallend begroeiing die Escher bij de gebouwen plaatst. Een groep planten die eerder aan een koraalrif dan aan een tuin doen denken. Het zijn mossen die Escher enorm vergroot heeft. Een tekening die hij al in 1942 maakte en 18 jaar later dus hergebruikt voor deze litho. Samen met de polyhedrons op de torens versterken ze het vervreemdende effect. Maar door de realistische bebouwing bij de molen en het Italiaanse terrassenlandschap op de achtergrond wordt dit effect weer verzwakt. Door die vermenging van mogelijkheid en onmogelijkheid, van realisme en fantasie en van werkelijkheid en onwerkelijkheid, creëert Escher een prent je nooit meer vergeet.

Eindtekening van Waterval die als basis zou dienen voor de tekening op de lithosteen.

In deze uitzending van het VPRO-radioprogramma OVT praten oud-conservator Micky Piller, Escher-biograaf Wim Hazeu en kunsthistoricus Gary Schwartz over Waterval. Maar het is ook een aanleiding te praten over zijn positie als kunstenaar, zijn techniek en zijn thema’s.

* Doris Schattschneider, Michele Emmer (redactie): M.C. Escher’s Legacy – A Centennial Celebration, uitgeverij Springer, blz 56-57

Meer Escher vandaag